ECLI:NL:CRVB:2016:3275
Centrale Raad van Beroep
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters in hoger beroep WWB-zaken
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter en twee leden van de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep die zijn hoger beroepen in diverse WWB-zaken behandelen. Verzoeker baseert het wrakingsverzoek op een eerdere zitting waarbij de voorzitter een voorlopige voorziening behandelde en daarbij een inhoudelijke mening zou hebben geuit over een rechtsvraag die ook in de lopende hoger beroepen speelt.
De Raad overweegt dat een wrakingsgrond moet zijn gebaseerd op feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechter aantasten. De Raad benadrukt dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er een zwaarwegende aanwijzing is voor vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestaat. Het enkele feit dat een rechter eerder een voorlopige voorziening heeft behandeld en een voorlopig oordeel heeft gegeven, vormt geen reden voor wraking.
De Raad concludeert dat er geen andere omstandigheden zijn die wijzen op een vooringenomenheid van de voorzitter of de andere rechters. Het verzoek om wraking wordt daarom afgewezen. Ook wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de voorzitter en twee leden van de meervoudige kamer, in aanwezigheid van de griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 september 2016.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzitter en leden van de meervoudige kamer wordt afgewezen wegens gebrek aan objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.