ECLI:NL:CRVB:2016:3594
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete wegens schending inlichtingenverplichting bij WAO-uitkering
Appellant ontvangt sinds 2000 een WAO-uitkering en hervatte in 2009 zijn werkzaamheden bij een stichting. Het UWV corrigeerde zijn uitkering en legde een boete op wegens het niet tijdig melden van inkomsten uit arbeid. De rechtbank stelde de boete vast op € 5.628,60, maar appellant tekende hoger beroep aan met het argument dat hij geen of verminderde verwijtbaarheid had omdat hij de melding aan zijn werkgever had overgelaten.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat hem dit subjectief kan worden verweten. Er is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid. Wel weegt de Raad mee dat de aflossingscapaciteit van appellant sinds december 2015 nihil is en dat hij reeds een deel van de boete heeft afgelost.
Op basis van de actuele financiële situatie stelt de Raad de boete vast op € 2.893,08, het bedrag dat appellant al heeft afgelost. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover de boete hoger werd vastgesteld.
Uitkomst: Boete vastgesteld op € 2.893,08 rekening houdend met aflossingscapaciteit appellant.