ECLI:NL:CRVB:2016:381
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenlandbijdrage en afwijzing beroep tegen Zorginstituut Nederland
Appellant, woonachtig in Duitsland en pensioengerechtigde, was het niet eens met de vaststelling van de buitenlandbijdrage door het Zorginstituut Nederland over 2012. Hij stelde dat de rechtbank fouten had gemaakt in de procesorde, onvoldoende gemotiveerd had en dat de buitenlandbijdrage discriminerend was en in strijd met het vrije verkeer binnen de EU.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en geoordeeld dat het Zorginstituut de woonlandfactor correct had toegepast, ondanks dat de buitenlandbijdrage hoger uitviel dan de kosten van een Duitse ziektekostenverzekering. In hoger beroep stelde appellant onder meer dat hij niet tijdig was geïnformeerd over de zittingsdatum en dat de rechtbank onvoldoende kritisch was geweest.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant de uitnodiging voor de zitting wel degelijk had ontvangen en dat de rechtbank voldoende vragen had gesteld. De motivering van de rechtbank was toereikend en het beroep op discriminatie en strijd met het vrije verkeer faalde, mede gelet op relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.