ECLI:NL:CRVB:2016:3884
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortvarendheid ontslagprocedure en toekenning WW-uitkering
Betrokkene was sinds 1992 werkzaam als gemeentelijk belastingdeurwaarder en werd in 2013 ontslagen wegens plichtsverzuim door onrechtmatig declaratiegedrag. Na onderzoek door een bedrijfsrecherche en schorsing volgde het ontslagbesluit in september 2013. Betrokkene vroeg daarop een WW-uitkering aan, die aanvankelijk werd geweigerd wegens vermeende verwijtbare werkloosheid.
Het Uwv herzag dit besluit na bezwaar en kende de WW-uitkering toe, omdat het college onvoldoende voortvarend had gehandeld bij het ontslagproces. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat het ontslag weliswaar objectief gerechtvaardigd was, maar dat het college niet tijdig en adequaat had gehandeld, waardoor geen subjectieve dringende reden voor ontslag bestond.
In hoger beroep voerde het college aan dat de vertragingen verklaard konden worden door intern beraad en extern advies. De Raad oordeelde echter dat deze vertragingen voor rekening van het college komen en dat het ontslag niet onverwijld is gegeven. Hierdoor is betrokkene niet verwijtbaar werkloos en heeft hij recht op WW-uitkering. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het college heeft onvoldoende voortvarend gehandeld bij het ontslag, waardoor betrokkene recht heeft op WW-uitkering.