Appellant maakte bezwaar tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Ede opgelegde besluit tot het heffen van een eigen bijdrage voor een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
De voorziening betreft een kortingspas waarmee Wmo-gerechtigden tegen een gereduceerd tarief met de regiotaxi kunnen reizen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het college bevoegd was een eigen bijdrage op te leggen, omdat de kortingspas een individuele voorziening in natura is en de aan de vervoerder te betalen zonetarief niet tot de voorziening behoort.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat de eigen bijdrage van € 1,45 per zone ruim onder de kostprijs van de voorziening voor de gemeente van € 2,62 per zone blijft. Het systeem van collectief vervoer met kortingspas is niet in strijd met de Wmo. Het standpunt van appellant dat de reisbijdrage gelijk is aan de eigen bijdrage en dat personen met beperkingen niet meer mogen betalen dan het reguliere openbaar vervoer, werd verworpen.
De Raad veroordeelde het college in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van gronden.