ECLI:NL:CRVB:2016:437
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Weigering WAZ-uitkering wegens laattijdige aanvraag en onjuiste beoordeling maatgevende arbeid
Appellant, een rolstoelafhankelijke directeur-grootaandeelhouder van een coffeeshop, vroeg een WAZ-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid sinds 30 juli 2003. Het UWV wees de uitkering af omdat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt was aan het einde van de wachttijd en omdat de WAZ per 1 augustus 2004 was afgeschaft. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het besluit onzorgvuldig was en dat de medische en arbeidskundige beoordeling onvoldoende rekening hield met zijn beperkingen, waaronder postpoliosyndroom en rolstoelafhankelijkheid. De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts terecht op dossieronderzoek mocht varen en dat appellant onvoldoende medische informatie had aangeleverd om het oordeel te betwisten.
Echter concludeerde de Raad dat appellant zijn maatgevende arbeid niet meer in volle omvang kon verrichten vanwege zijn beperkingen, wat het UWV ten onrechte had genegeerd. De Raad vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en droeg het UWV op binnen zes weken het besluit te herstellen met een juiste functieselectie en beoordeling van passende arbeid.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WAZ-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen.