ECLI:NL:CRVB:2016:4426
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde marktactiviteiten
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en werd bij besluit van het college de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode 16 oktober 2012 tot 1 augustus 2013. Dit omdat appellant niet had gemeld dat hij als marktkoopman valse merkartikelen verkocht, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Appellant voerde aan dat zijn activiteiten hobbymatig waren en nauwelijks inkomsten opleverden, en dat hij deze daarom niet hoefde te melden. De Raad oordeelde dat het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten altijd relevant is voor het recht op bijstand, ongeacht intentie of daadwerkelijke inkomsten. Door niet te melden heeft appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden.
Verder werd beoordeeld dat appellant geen nieuwe feiten of bijzondere omstandigheden had aangevoerd die een terugwerkende bijstandsverlening rechtvaardigen. De Raad bevestigde daarom het collegebesluit tot intrekking en terugvordering van bijstand en de vaststelling van de ingangsdatum van de nieuwe bijstandsverlening op de datum van melding in september 2013.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.