ECLI:NL:CRVB:2016:4444
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit bijstand in de vorm van lening wegens onvoldoende onderzoek interingsperiode
Appellant vroeg bijstand aan en overhandigde bankafschriften waaruit bleek dat hij kort voor de aanvraag een groot bedrag aan zijn moeder had terugbetaald. Het college kende de bijstand toe in de vorm van een lening vanwege een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en stelde dat appellant gedurende 11,4 maanden op zijn vermogen had kunnen interen.
Appellant stelde in hoger beroep dat het bedrag een lening betrof die direct opeisbaar was en dat het college ten onrechte de interingsperiode vanaf februari 2013 had vastgesteld in plaats van vanaf oktober 2007. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de schuld direct opeisbaar was en dat het college terecht het vermogen had betrokken bij de beoordeling. Wel stelde de Raad vast dat het college onvoldoende had onderzocht hoe appellant tussen september 2012 en februari 2013 in zijn levensonderhoud voorzag.
De rechtbank had dit niet onderkend en de Raad vernietigde de uitspraak en het bestreden besluit. Het college werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de juiste uitgangspunten. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.