ECLI:NL:CRVB:2020:1557
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geldlening bijstand wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Appellanten vroegen bijstand aan op grond van de Participatiewet nadat zij een ontslagvergoeding en een erfenis hadden ontvangen. Het college kende bijstand toe in de vorm van een renteloze lening voor 24 maanden, omdat appellanten te snel hun vermogen hadden ingeteerd door schulden aan familieleden ineens af te lossen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en beperkte de leenperiode tot 18 maanden, met het oordeel dat appellanten tekortschietend besef van verantwoordelijkheid hadden getoond door € 20.000 ineens aan de broer terug te betalen, zonder aannemelijk te maken dat er een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting bestond.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat zij verplicht waren de schuld aan de broer terug te betalen en dat zij dit netjes hadden gedaan. De Raad oordeelde echter dat uit de schuldbekentenis, promesse en verklaring van de broer geen afdwingbare terugbetalingsverplichting bleek, mede omdat appellanten in 2012 beschikten over voldoende middelen om de lening toen niet af te lossen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellanten tekortschietend besef van verantwoordelijkheid hadden getoond door de lening ineens af te lossen, waardoor zij vervroegd op bijstand waren aangewezen. Tevens werd ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase was overschreden, waarvoor de Staat een schadevergoeding van € 500,- moet betalen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de bijstand terecht als geldlening is verstrekt wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.