Appellant was sinds 7 januari 2008 in dienst als restauratietimmerman en werd ontslagen na een ontslagvergunning van het UWV. Hij meldde zich met terugwerkende kracht ziek per 28 juli 2008 wegens psychische klachten. Het UWV weigerde aanvankelijk een Ziektewetuitkering omdat appellant niet de gevraagde gegevens overlegde en later omdat hij verwijtbaar werkloos was en een benadelingshandeling had gepleegd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat hij verwijtbaar werkloos was omdat hij zich niet hield aan de ziekmeldingsregels, niet meewerkte aan re-integratie, telefonisch niet bereikbaar was, niet op verzuimcontroles verscheen en niet reageerde op brieven van werkgever. De Raad volgde dit oordeel en stelde vast dat er geen sprake was van verminderde verwijtbaarheid vanwege psychische klachten.
Appellant voerde aan dat hij door een zware depressie niet kon functioneren, maar medische stukken toonden geen ernstige psychopathologie aan die zijn gedrag onaanrekenbaar maakte. Ook was er geen bewijs dat de werkgever zich niet als goed werkgever had gedragen. Er waren geen dringende redenen om af te zien van het opleggen van een maatregel. De Raad bevestigde het besluit van het UWV om de Ziektewetuitkering te weigeren vanaf 28 juli 2008.