ECLI:NL:CRVB:2016:4631
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Betalingsbeslissing beslaglegging op bijstand is een besluit in de zin van de Awb
Appellant ontvangt bijstand en kreeg bericht dat op zijn bijstand beslag is gelegd, waarbij 10% van de bijstand wordt ingehouden ten behoeve van de beslaglegger. Het college verklaarde het bezwaar tegen deze inhouding niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit zou zijn. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep stelt appellant dat de beslaglegging onrechtmatig is, met name dat geen beslag mag worden gelegd op vakantiegeld en dat de inhoudingen te hoog zijn. De Raad stelt vast dat bezwaren tegen de geldigheid van het beslag bij de civiele rechter horen en dat het bestuursorgaan gehouden is het beslag uit te voeren zonder de geldigheid te toetsen.
De Raad oordeelt dat de brief van 5 november 2014 wel degelijk een bestuursrechtelijk besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, omdat het een schriftelijke beslissing betreft over inhouding op bijstand. De rechtbank heeft dit niet erkend, waardoor het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak niet in stand kunnen blijven.
De Raad draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij het college moet beoordelen of de betalingsbeslissing binnen het kader van het beslag blijft. De Raad kan zelf niet in de zaak voorzien omdat het college geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven en de stukken van het beslag ontbreken.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de betalingsbeslissing is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard; het college moet binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar nemen.