ECLI:NL:CRVB:2016:47
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen onroerend goed in Marokko
Betrokkene ontving sinds 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een melding van de Sociale Verzekeringsbank dat betrokkene een onroerende zaak in Marokko op haar naam had staan, voerde de gemeente Rotterdam een onderzoek uit. Hieruit bleek dat het onroerend goed een waarde had van €200.745, wat boven het vrij te laten vermogen lag.
Het college trok de bijstand per 1 juli 2013 in en vorderde de bijstandskosten terug over de periode van 27 december 2012 tot 30 juni 2013. Tevens legde het college een boete op wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht. De voorzieningenrechter verlaagde de boete, maar verklaarde het overige beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde betrokkene dat het onroerend goed zonder haar medeweten op haar naam was gesteld door haar ex-echtgenoot en dat zij er niet over kon beschikken. De Raad oordeelde dat volgens vaste rechtspraak het geregistreerde eigendom een vermoeden van beschikking inhoudt, dat betrokkene niet met objectief bewijs heeft kunnen weerleggen.
De verklaring van de ex-echtgenoot en de deskundige waren onvoldoende om aan te tonen dat betrokkene niet kon beschikken over het onroerend goed. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond voor zover het de intrekking en terugvordering betrof. De boete werd niet gehandhaafd door het college, waardoor dit onderdeel van het hoger beroep was ingetrokken.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.