ECLI:NL:CRVB:2016:4932
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaamheid arbeidsongeschiktheid en recht op IVA-uitkering
Appellante was sinds 1 januari 2009 werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek vanaf 27 oktober 2010 wegens buik- en psychische klachten. Het Uwv stelde op 3 juli 2012 vast dat zij recht had op een loongerelateerde uitkering met 100% arbeidsongeschiktheid. Latere besluiten handhaafden een loonaanvullingsuitkering en verwierpen een IVA-uitkering omdat herstel mogelijk werd geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit van 14 mei 2014 ongegrond, stellende dat er behandelmogelijkheden waren voor haar complexe problematiek. In hoger beroep herhaalde appellante haar stelling dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, ondersteund door medische verklaringen die geen verbetering verwachtten en het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Raad beoordeelde het geschil aan de hand van artikel 4 van Pro de Wet WIA en het beoordelingskader van het Uwv. Uit de medische stukken bleek dat op de datum in geding behandelmogelijkheden bestonden en dat de verzekeringsarts terecht uitging van een redelijke verwachting van verbetering. Ook de afsluiting van de behandeling in 2016 bood geen grond om het eerdere oordeel te herzien.
De Raad concludeerde dat appellante op 14 mei 2014 geen recht had op een IVA-uitkering en wees het verzoek om een deskundige af. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op een IVA-uitkering per 14 mei 2014; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.