Betrokkenen, vreemdelingen zonder aanspraak op voorzieningen volgens het koppelingsbeginsel van de Vreemdelingenwet 2000, verzochten het college om opvang of leefgeld op grond van de Wmo 2015. Het college wees deze verzoeken af, stellende dat opvang via de bed-bad-broodvoorziening en opvang in een VBL voldoende was. De rechtbank vernietigde deze besluiten en kende de opvang toe.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat plaatsing in een VBL in het algemeen een voldoende voorziening is die voldoet aan de positieve opvangverplichting uit het internationaal recht. De Raad oordeelde dat het college terecht de aanvragen op grond van de Wmo 2015 afwees, omdat opvang via een VBL beschikbaar was. De Raad verklaarde de beroepen van betrokkenen 1, 2, 3 en 5 ongegrond en bevestigde het oordeel van de rechtbank voor betrokkene 4.
De Raad benadrukte dat de toegang tot opvang in een VBL afhankelijk is van medewerking aan vertrek, maar dat bijzondere omstandigheden dit kunnen beïnvloeden. De beoordeling van die omstandigheden is voorbehouden aan de staatssecretaris en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Raad verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van beroepen tegen gemeentelijke opvangregelingen buiten de Wmo 2015.