ECLI:NL:CRVB:2016:635
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WIA-uitkering bij vermeende toename arbeidsongeschiktheid door hartproblemen
Appellant, voormalig productiemedewerker, meldde zich in 2005 ziek met duizeligheids- en angstklachten en ontving vanaf 2007 een WIA-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. In 2010 werd vastgesteld dat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waardoor het recht op uitkering verviel. In 2013 meldde appellant een verslechtering van zijn gezondheid na een hartinfarct, maar het UWV stelde vast dat er geen toename was van de beperkingen die ten grondslag lagen aan de eerdere uitkering.
Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen het besluit van het UWV, dat werd afgewezen door de rechtbank en vervolgens door de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat de medische gegevens, waaronder een rapport van een verzekeringsarts en informatie van de behandelend internist-hematoloog, geen causale relatie aantonen tussen de hartklachten en de eerder vastgestelde hematologische aandoening (polycythemia vera).
De Raad bevestigde dat artikel 57, eerste lid, van de Wet WIA alleen ziet op toename van de medische beperkingen die ten grondslag lagen aan de eerdere uitkering. Omdat deze toename ontbrak, was er geen recht op hernieuwde uitkering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Geen recht op WIA-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid.