ECLI:NL:CRVB:2016:748
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging eervol ontslag wegens verstoorde arbeidsrelatie bij gemeente
Appellant was sinds 2007 werkzaam als gemeentebode bij de gemeente en kampte vanaf 2008 met diverse problemen, waaronder financiële moeilijkheden en psychische klachten. Gedurende zijn dienstverband ontstonden meerdere incidenten zoals ongeoorloofd verzuim, te laat komen, miscommunicaties en conflicten met collega’s, wat leidde tot een verstoorde arbeidsrelatie.
Ondanks pogingen tot re-integratie en het verrichten van aangepast werk, bleef appellant vasthouden aan zijn functie als bode op de afdeling bestuurlijke zaken, waar de verhoudingen inmiddels ernstig waren verstoord. Het college besloot appellant eervol te ontslaan op grond van artikel 8:8 van Pro de CAR/UWO wegens de impasse die vruchtbare samenwerking in de weg stond.
Appellant voerde aan dat het ontslag onterecht was omdat het vooral ging om disfunctioneren en dat het college het advies van de bedrijfsarts niet had opgevolgd. De Raad oordeelde echter dat het college voldoende feiten en omstandigheden had onderbouwd om het ontslag te rechtvaardigen en dat het college redelijkerwijs van zijn ontslagbevoegdheid gebruik had gemaakt.
De Raad wees het beroep van appellant af en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank. Tevens werd geoordeeld dat er geen grond was voor een hogere compensatie dan de passende regeling die het college had toegekend, aangezien het college geen overwegend aandeel had in de situatie die tot het ontslag leidde.
Uitkomst: Het eervol ontslag van appellant wegens verstoorde arbeidsrelatie wordt bevestigd en het beroep wordt ongegrond verklaard.