ECLI:NL:CRVB:2016:98
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid
Appellante was werkzaam als eerste verkoopster/(assistent) bedrijfsleidster en ontving een Ziektewetuitkering wegens maag- en darmklachten. Het UWV besloot op basis van een verzekeringsartsrapport dat zij vanaf 8 maart 2013 geschikt was voor haar maatgevende arbeid en beëindigde de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medische onderzoek zorgvuldig was en dat de maatgevende arbeid betrekking heeft op arbeid bij een soortgelijke werkgever, niet op specifieke taken.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met haar klachten en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de reumatoloog negatief had beïnvloed. Ook stelde zij dat verlichtende omstandigheden niet waren meegewogen. Het UWV verwees naar eerdere jurisprudentie ter onderbouwing van haar standpunt.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen een goed beeld hadden van de werkzaamheden en dat het bezwaar en beroepsonderzoek zorgvuldige herstelmogelijkheden bood. De vraagstelling aan de reumatoloog was volgens de Lisv-standaard passend en er was geen bewijs van negatieve beïnvloeding. De maatgevende arbeid betreft de feitelijk verrichte arbeid en niet de functie elders op de arbeidsmarkt. De beëindiging van de uitkering was daarom terecht.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij geschikt is voor de maatgevende arbeid.