ECLI:NL:CRVB:2017:117

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 januari 2017
Publicatiedatum
17 januari 2017
Zaaknummer
15/4316 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering van bijstandsuitkering wegens niet-gemelde belastingteruggaven en giften

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag. Appellante, een beeldend kunstenares, ontving bijstand op basis van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een jaarlijks rechtmatigheidsonderzoek zijn er onregelmatigheden ontdekt in de bijstandsverlening. Appellante had in 2013 en 2014 belastingteruggaven en giften ontvangen, maar deze niet gemeld bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Het college heeft daarop besloten de bijstand van appellante over een bepaalde periode te herzien en de gemaakte kosten terug te vorderen, wat leidde tot een geschil dat uiteindelijk bij de Centrale Raad van Beroep terechtkwam.

De Raad oordeelde dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden door de belastingteruggaven en bijschrijvingen van derden niet te melden. De Raad benadrukte dat het aan appellante was om actief melding te maken van haar inkomsten, en dat het college niet verantwoordelijk was voor het zelf ontdekken van deze informatie. De Raad bevestigde dat de belastingteruggaven en de bijschrijvingen op de bankrekening van appellante als middelen moesten worden aangemerkt, wat leidde tot de conclusie dat het college terecht de bijstand had herzien en teruggevorderd.

De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank en oordeelde dat er geen aanleiding was voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer, met O.L.H.W.I. Korte als voorzitter, en werd openbaar uitgesproken op 3 januari 2017.

Uitspraak

15/4316 WWB, 15/7416 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van
13 mei 2015, 15/246 (aangevallen uitspraak 1) en 30 september 2015, 15/3693 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. de Boorder, advocaat, hoger beroepen ingesteld.
Het college heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft in de gevoegd behandelde zaken plaatsgevonden op
22 november 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Boorder. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert. Ter zitting is als getuige gehoord [getuige] , werkzaam als consulent Participatie bij het college.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante, beeldend kunstenares, ontving, in aansluiting op haar eerdere uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars, sinds 23 december 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), thans Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Uit in het kader van een jaarlijks rechtmatigheidsonderzoek van appellante ontvangen gegevens, waaronder bankafschriften, is naar voren gekomen dat appellante in 2013 en 2014 meerdere keren bedragen van de Belastingdienst en van derden heeft ontvangen. Naar aanleiding hiervan hebben twee medewerkers van de afdeling Handhaving van de gemeente Den Haag op 20 juni 2014 een gesprek met appellante gevoerd. Naar aanleiding van dit gesprek is aan de afdeling Bijzonder Onderzoek (BO) gevraagd een onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De afdeling BO heeft vervolgens onder meer dossieronderzoek verricht, diverse registers geraadpleegd en bij appellante aanvullende gegevens opgevraagd. Op 15 augustus 2014 hebben medewerkers van de afdeling BO een huisbezoek aan het adres van appellante afgelegd. Tijdens het huisbezoek heeft appellante een verklaring afgelegd. Verder hebben medewerkers van de afdeling BO op 15 september 2014 een gesprek met appellante gevoerd. De bevindingen van het onderzoek van de afdeling BO zijn neergelegd in rapportages van 2 september 2014 en van 16 september 2014.
1.3.
In de resultaten van het onderzoek heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 18 september 2014, zoals aangevuld bij besluit van 19 september 2014, en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 december 2014 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante over de periode van 26 oktober 2012 tot en met 30 juni 2014 te herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 15.462,65. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante naderhand teruggaven van inkomstenbelasting over de jaren 2012 en 2013 heeft ontvangen, dat zij in deze periode periodiek giften van derden heeft ontvangen en dat zij van één en ander ten onrechte geen melding heeft gemaakt bij het college. Het college heeft uit een oogpunt van zorgvuldigheid de periode voor 26 oktober 2012 ongemoeid gelaten, omdat was nagelaten een nader onderzoek in te stellen naar aanleiding van een op 26 oktober 2012 door appellante ingeleverd rechtmatigheidsformulier.
1.4.
Bij besluit van 22 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 april 2015 (bestreden besluit 2), heeft het college de teruggevorderde bijstand over het jaar 2014 verhoogd met de belasting en de premies die het college daarover aan de Belastingdienst moest betalen tot een bedrag van € 1.445,59, waardoor de terugvordering over het jaar 2014
€ 3.987,96 bedraagt.
2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Aangevallen uitspraak 1
4.1.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
4.1.2.
Niet in geschil is dat appellante over de jaren 2012 en 2013 teruggaven van inkomstenbelasting van onderscheidenlijk € 2.472,- en € 3.290,- van de Belastingdienst heeft ontvangen en dat ten tijde hier in geding diverse bijschrijvingen van derden tot een totaalbedrag van € 8.434,- hebben plaatsgevonden op de bankrekening van appellante. Verder staat vast dat appellante op de formulieren rechtmatigheidsonderzoek van 26 oktober 2012 en 14 april 2014 geen mededeling heeft gedaan van deze teruggaven en bijschrijvingen.
4.1.3.
Appellante heeft allereerst aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Daartoe heeft appellante betoogd dat zij met betrekking tot haar activiteiten als kunstenares altijd volledige openheid van zaken heeft gegeven en dat zij in het kader van de periodieke controles door het college steeds inzage heeft gegeven in haar bankafschriften, waarop de teruggaven van de Belastingdienst en de bijschrijvingen van derden zichtbaar waren. Ook was haar toenmalige bijstandsconsulent, [getuige] (G), op de hoogte van de bijschrijvingen en de teruggaven van de Belastingdienst. Appellante heeft er in dit verband op gewezen dat de rechtbank Den Haag in zijn uitspraak van 23 december 2015, 15/5100, in de met de onderhavige zaken samenhangende boetezaak, heeft geoordeeld dat in verband met verminderde verwijtbaarheid van appellante de opgelegde boete moet worden gematigd tot het minimumbedrag van € 150,-.
4.1.4.
Dit betoog van appellante kan niet worden gevolgd. Appellante mocht niet zonder meer ervan uitgaan dat zij, door enkel inzage te verlenen in haar bankafschriften, aan de inlichtingenverplichting had voldaan. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat het aan appellante is om actief melding te maken van haar inkomsten, al dan niet met verwijzing naar haar bankafschriften. Het feit dat het college na controle van de door appellante overgelegde bankafschriften de belastingteruggaven en periodieke bijschrijvingen van derden zelf had kunnen vaststellen leidt dan ook niet tot de conclusie dat van een schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is. Dat de rechtbank Den Haag in haar uitspraak van
23 december 2015 de aan appellante opgelegde boete heeft gematigd tot het minimumbedrag van € 150,- laat onverlet dat appellante de belastingteruggaven en de bijschrijvingen op haar bankrekening had moeten melden en dit ten onrechte heeft nagelaten.
4.1.5.
De gedingstukken bieden voorts geen steun voor de stelling van appellante dat G op de hoogte was van de bijschrijvingen en de teruggaven van de Belastingdienst. G heeft ter zitting bij de Raad als getuige verklaard dat hij tot in de loop van het jaar 2012 als bijstandsconsulent de contactpersoon van appellante was, maar dat hij niet bekend was met periodieke bijschrijvingen op de bankrekening van appellante in een omvang als hier aan de orde en ook niet met door appellante ontvangen teruggaven van de Belastingdienst. Voor zover de stelling van appellante moet worden opgevat als een beroep op het vertrouwensbeginsel treft deze geen doel. Geen aanknopingspunten zijn aanwezig voor een door G gedane toezegging dat appellante de belastingteruggaven en de bijschrijvingen niet behoefde op te geven en dat deze geen invloed zouden hebben op de bijstand. Het tegendeel volgt uit wat G ter zitting heeft verklaard.
4.1.6.
Uit 4.1.2 tot en met 4.1.5 volgt dat appellante over de periode van 26 oktober 2012 tot en met 30 juni 2014 de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellante heeft de belastingteruggaven en de periodieke bijschrijvingen van derden in deze periode op haar bankrekening niet bij het college gemeld, terwijl het hier onmiskenbaar om gegevens gaat die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.
4.2.1.
In artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de WWB is bepaald dat tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
4.2.2.
Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de WWB worden niet tot de middelen gerekend vergoedingen en tegemoetkomingen, waaronder begrepen de tegemoetkoming ontvangen op grond van het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven, voor, alsmede de vermindering of teruggave van, loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies volksverzekeringen op grond van kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren, tenzij voor deze kosten bijstand wordt verleend. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling komt naar voren dat deze bepaling ziet op vergoedingen of tegemoetkomingen die worden ontvangen met het specifieke doel om te voorzien in kosten die niet kunnen worden geacht tot de algemene noodzakelijke bestaanskosten te behoren. Hiertoe wordt ook gerekend "de vermindering of teruggave van loon- of inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen op grond van dergelijke buitengewone uitgaven" (zie Kamerstukken II 1991-1992, 22 545, nr. 3, p. 145).
4.2.3.
Artikel 32, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze een voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting betreffen en betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
4.2.4.
Appellante heeft wel gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat de teruggaven van inkomstenbelasting betrekking hebben op specifieke kosten als bedoeld onder 4.2.2. Dit wordt niet anders indien appellante wordt gevolgd in haar stelling dat zij altijd verliezen heeft gedraaid van de bijstand die zij in haar kunstenaarschap heeft gestoken en de belastingteruggaven in feite terugontvangen bijstand betreffen. Niet in geschil is dat de belastingteruggaven in het geval van appellante voortvloeien uit de door de fiscale autoriteiten toegepaste zelfstandigenaftrek. De Raad heeft eerder overwogen (uitspraak van 5 maart 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE2705) dat de zelfstandigenaftrek niet ziet op specifieke kosten, maar een algemeen werkende belastingfaciliteit is ter verbetering van de rendementspositie van belastingplichtige ondernemers, waardoor op generieke wijze ruimte wordt geboden voor investeringen en versterking van het eigen vermogen. De belastingteruggaven die appellante heeft ontvangen vallen dus niet onder de uitzonderingsbepaling van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de WWB. Verder is van belang dat aan appellante niet bijstand is verleend als zelfstandig ondernemer maar als belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan op arbeid in dienstbetrekking is aangewezen. Appellante kan zich om die reden niet beroepen op een bepaling als artikel 6 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen, waarin is bepaald dat een teruggave van inkomstenbelastingen premies volksverzekeringen bij een zelfstandige niet als inkomen wordt aangemerkt.
4.2.5.
Uit 4.2.1 tot en met 4.2.4 volgt dat de belastingteruggaven over 2012 en 2013 volledig gerekend moet worden tot de naderhand verkregen middelen waarover appellante kon beschikken. Dit betekent dat het college gehouden was de als gevolg van de ontvangen belastingteruggaven over 2012 en 2013 te veel betaalde bijstand van appellante terug te vorderen. Het college heeft de terugvordering beperkt tot de periode van 26 oktober 2012 tot en met 31 december 2013. Mede in aanmerking genomen wat hiervoor onder 4.1.1 tot en
met 4.1.6 is overwogen, heeft het college daartoe in redelijkheid kunnen besluiten.
4.3.1.
Niet in geschil is dat de bedragen die op de rekening van appellante zijn bijgeschreven als giften moeten worden aangemerkt. Gelet op de omvang van deze bedragen en de regelmaat van de bijschrijvingen heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat deze giften uit een oogpunt van bijstandsverlening niet verantwoord zijn en bij de vaststelling van het recht op bijstand als middelen in aanmerking moeten worden genomen. Dat de giften, zoals door appellante gesteld, uitsluitend bestemd waren voor de activiteiten van appellante als kunstenares maakt dit niet anders, reeds omdat de giften appellante vrijelijk ter beschikking stonden en dus ook konden worden aangewend ter voorziening in het levensonderhoud van appellante.
4.3.2.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB.
4.3.3.
Nu appellante als gevolg van de als inkomsten te kwalificeren bijschrijvingen tot een te hoog bedrag bijstand heeft ontvangen in de maanden waarin de bijschrijvingen hebben plaatsgevonden en zij daarvan, zoals in 4.1 tot en met 4.1.6 is overwogen, ten onrechte geen mededeling had gedaan aan het college, was het college gehouden de bijstand over die maanden te herzien tot de bedragen van de bijschrijvingen.
4.4.
Uit 4.1.2 tot en met 4.3.3 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt, zodat deze uitspraak moet worden bevestigd.
Aangevallen uitspraak 2
4.5.1.
Zoals in 4.1.6 is vastgesteld, is appellante de op haar ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting niet nagekomen. Voorts staat vast dat appellante het over het jaar 2014 teruggevorderde bedrag niet uiterlijk op 31 december 2014 heeft betaald. Hieruit volgt dat het college bevoegd was op grond van artikel 58, vijfde lid, van de PW het bedrag van de terugvordering te verhogen met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten (brutering).
4.5.2.
Het college heeft de over het kalenderjaar 2014 verschuldigde loonbelasting en premies afgedragen aan de Belastingdienst. Nu voorts de terugvordering niet buiten toedoen van appellante is ontstaan heeft het college reeds daarom in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid tot brutering van het over 2014 teruggevorderde bedrag. Het enkele feit dat het besluit tot intrekking en terugvordering nog niet in rechte vaststond, betekent voorts, anders dan appellante heeft aangevoerd, niet dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot brutering gebruik heeft kunnen maken.
4.6.
Uit 4.5.1 en 4.5.2 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt, zodat ook deze uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.L. Boxum en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2017.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) C.A.E. Bon

HD