ECLI:NL:CRVB:2017:1188
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen dringende redenen voor intrekking en terugvordering WW-uitkering
Appellant was werkloos geworden en ontving een WW-uitkering, die later werd omgezet in een Ziektewetuitkering (ZW). Na bezwaar werd de ZW-uitkering voortgezet, maar over de periode van 4 juni 2013 tot en met 6 oktober 2013 ontving appellant zowel WW- als ZW-uitkeringen.
Het UWV trok de WW-uitkering met ingang van 4 juni 2013 in en vorderde het te veel betaalde bedrag van €9.455,53 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af, omdat appellant niet betwistte dat hij geen recht had op de dubbele uitkering.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat dringende redenen bestonden om terugvordering achterwege te laten vanwege onaanvaardbare financiële gevolgen, zoals problemen met de studiefinanciering van zijn dochter, zorgtoeslag en ouderkorting. De Raad oordeelde echter dat deze problemen het gevolg waren van het ontvangen van de dubbele uitkering en niet van de intrekking en terugvordering zelf.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.