ECLI:NL:CRVB:2017:1305
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WW-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen ex-echtgenoten
Appellante verzorgde sinds 1 november 2005 haar ex-echtgenoot, die een persoonsgebonden budget (pgb) ontving, en stelde dat zij op basis van een zorgovereenkomst een arbeidsovereenkomst had. Het UWV weigerde een WW-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van een gezagsverhouding, essentieel voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat er wel een gezagsverhouding bestond en dat het wettelijke vermoeden van een arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:610a BW van toepassing was, omdat zij langdurig en intensief zorg verleende.
De Raad oordeelde dat de zorgovereenkomst niet de intentie tot het sluiten van een arbeidsovereenkomst bevatte en dat essentiële arbeidsvoorwaarden ontbraken. De feitelijke situatie, waaronder het ontbreken van loonbetaling, het beheer van het pgb door de ex-echtgenoot, en het ontbreken van controle en sancties, toonde aan dat er geen gezagsverhouding was. De familieverhouding beheerste de arbeidsrelatie, waardoor appellante geen werknemer was en geen recht had op WW-uitkering.
Het beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Appellante is geen werknemer in de zin van de WW en heeft geen recht op WW-uitkering wegens ontbreken van een gezagsverhouding.