Uitspraak
16 december 2015, 15/2767 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op basis van de Wet werk en bijstand (WWB), maar deze werd met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 22 oktober 2012 vanwege het niet woonachtig zijn op het opgegeven uitkeringsadres en het niet naleven van de inlichtingenplicht. Na een nieuwe aanvraag in augustus 2014 wees het college deze af omdat appellante geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden had aangetoond.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat het aan appellante was om te bewijzen dat zij sinds de intrekking aan de voorwaarden voor bijstand voldeed. Appellante slaagde hier niet in, onder meer omdat zij haar verblijf op het uitkeringsadres niet met concrete gegevens kon onderbouwen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank terecht het beroep ongegrond verklaarde. De Raad bevestigde dat bij herhaalde aanvragen na intrekking de toets beperkt kan zijn tot het aantonen van gewijzigde omstandigheden. Omdat appellante geen nieuwe feiten had aangevoerd, werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de herhaalde aanvraag bijstand wegens het ontbreken van een aantoonbare wijziging in omstandigheden.