ECLI:NL:CRVB:2018:1011
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-woonachtig op uitkeringsadres en afwijzing nieuwe aanvraag
Appellante ontving sinds juli 2012 bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Gemeentelijke instanties ontdekten via een onderzoek, onder meer gebaseerd op extreem laag waterverbruik, dat appellante niet op dat adres woonde. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode juli 2012 tot december 2014.
Appellante diende vervolgens een nieuwe aanvraag in, die door het college werd afgewezen omdat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij inmiddels wel op het uitkeringsadres woonde. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad motiveerde dat het extreem lage waterverbruik, gecombineerd met laag elektriciteits- en gasverbruik en bevindingen van een huisbezoek (zoals afwezigheid van koelkast, beddengoed en internet), het niet-woonachtig zijn aannemelijk maken. Appellante slaagde er niet in dit te weerleggen. Ook voor de nieuwe aanvraag was geen sprake van relevante wijziging van omstandigheden. De Raad oordeelde dat het college terecht de bijstand introk en de aanvraag afwees.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en afwijzing van de nieuwe aanvraag wegens niet-woonachtig zijn op het uitkeringsadres.