ECLI:NL:CRVB:2017:1852
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-uitkering wegens geen duurzaam gescheiden leven na huwelijk
Appellante ontving sinds maart 2013 een AOW-uitkering volgens de ongehuwdennorm. Na haar huwelijk op 13 januari 2015 met haar echtgenoot herzag de Sociale Verzekeringsbank (Svb) haar uitkering naar de gehuwdennorm. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij duurzaam gescheiden leeft vanwege haar gezondheidssituatie en beperkte samenwoning.
De rechtbank Oost-Brabant oordeelde dat niet ondubbelzinnig vaststaat dat sprake is van duurzaam gescheiden leven, mede gelet op gezamenlijke activiteiten en onderlinge zorg. Appellante ging hiertegen in hoger beroep en voerde aan dat haar situatie vergelijkbaar is met eerdere uitspraken waarin duurzaam gescheiden leven werd aangenomen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. Uit de feiten blijkt dat appellante en haar echtgenoot regelmatig samen activiteiten ondernemen, elkaar verzorgen bij ziekte en een sleutel van elkaars woning hebben. De intentie tot zorg en het feit dat het huwelijk mede is gesloten om financiële redenen, duiden op geen duurzaam gescheiden leven. De Raad volgt de vaste rechtspraak en wijst het beroep af.
De Raad bevestigt het bestreden besluit en de rechtbankuitspraak, waardoor de AOW-uitkering van appellante terecht is herzien naar de gehuwdennorm. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de AOW-uitkering wordt bevestigd volgens de gehuwdennorm.