ECLI:NL:CRVB:2017:1888
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij AWBZ-indicatie
Appellante was geïndiceerd voor persoonlijke verzorging op grond van de AWBZ voor de periode van 14 april 2010 tot 13 april 2012. Na een aanvraag tot verlenging en uitbreiding in februari 2012 wees het CIZ deze af, waarna bezwaar werd gemaakt. Het bezwaar werd aanvankelijk ongegrond verklaard, maar later deels gegrond bevonden met een nieuwe indicatie tot 21 mei 2015.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit gegrond en vernietigde dit, maar wees het beroep tegen het tweede besluit af. Appellante stelde in hoger beroep dat zij nog belang had bij beoordeling van het geschil omdat zij niet voor alle zorg was geïndiceerd en daardoor schade had geleden.
De Raad oordeelt dat procesbelang ontbreekt omdat het geschil betrekking heeft op een reeds verstreken indicatieperiode onder de AWBZ, die per 1 januari 2015 is ingetrokken. Appellante is inmiddels geïndiceerd onder de Wet langdurige zorg, waardoor het resultaat van het hoger beroep geen toekomstig belang heeft. Bovendien is haar stelling van immateriële schade onvoldoende onderbouwd. Daarom wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.