ECLI:NL:CRVB:2017:1889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding persoonsgebonden budget voor begeleiding volgens AWBZ
Appellant, geïndiceerd voor begeleiding en kortdurend verblijf op grond van de AWBZ, maakte aanspraak op vergoeding van begeleiding door een zorgverlener via een persoonsgebonden budget (pgb). Het Zorgkantoor keurde een deel van de kosten niet goed omdat de verleende activiteiten volgens hen geen AWBZ-zorg betroffen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de zorgverlening voldeed aan de criteria van artikel 6 van Pro het Besluit zorgaanspraken AWBZ (BzA). In hoger beroep voerde appellant aan dat de zorg wel degelijk de zelfredzaamheid bevorderde en overhandigde een e-mail ter onderbouwing.
De Raad toetste de uitleg van het Zorgkantoor en concludeerde dat de activiteiten niet bestonden uit het ondersteunen bij vaardigheden, het aanbrengen van structuur of toezicht, zoals vereist. De oefeningen waren wel nuttig voor appellant, maar kwalificeren niet als AWBZ-begeleiding. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de kosten van de zorgverlener worden niet als AWBZ-begeleiding erkend.