ECLI:NL:CRVB:2017:2168

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juni 2017
Publicatiedatum
20 juni 2017
Zaaknummer
15/5162 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 WWBArt. 32 WWB
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen verkoop van katten via Marktplaats

Appellante ontving bijstand op grond van de WWB vanaf oktober 2013. De gemeente Tilburg vermoedde dat zij een gezamenlijke huishouding voerde en ontdekte via onderzoek dat zij katten te koop aanbood op Marktplaats, zonder dit te melden. Tijdens een huisbezoek werden 39 katten aangetroffen. Het college trok de bijstand in en vorderde terugbetaling van €8.257,18 wegens het niet melden van inkomsten uit verkoopactiviteiten.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellante ging in hoger beroep. Zij stelde dat de advertenties betrekking hadden op dezelfde katten en dat zij geen inkomsten had behaald omdat het om een hobby ging. De Raad oordeelde dat het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten relevant is voor het recht op bijstand, ongeacht de intentie of daadwerkelijke inkomsten.

Appellante had geen volledige administratie overlegd en haar bankafschriften en andere stukken waren onvoldoende om de omvang van de activiteiten en inkomsten vast te stellen. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd vanwege schending van de inlichtingenverplichting door het niet melden van verkoopactiviteiten.

Uitspraak

15/5162 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van
1 juni 2015, 15/52 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
Datum uitspraak: 6 juni 2017
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. T. Möller, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2017. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sinds 20 oktober 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2.
Naar aanleiding van een melding aan de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Tilburg, inhoudende het vermoeden dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met [naam] , hebben de medewerkers van het team handhaving (medewerkers) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben de medewerkers dossieronderzoek verricht. Bij een digitaal onderzoek is naar voren gekomen dat appellante op Marktplaats onder de naam [bedrijf] actief is en katten te koop aanbiedt. Vervolgens hebben de medewerkers bij Marktplaats.nl gegevens opgevraagd. Appellante heeft op 13 mei 2014 een verklaring afgelegd en aansluitend heeft een huisbezoek plaatsgevonden. Tijdens het huisbezoek zijn 39 katten in de woning van appellante aangetroffen. Appellante is bij brief van 20 mei 2014 in de gelegenheid gesteld om bankafschriften en alle bewijsstukken omtrent haar verkoopactiviteiten op Marktplaats over te leggen. Appellante heeft aan dit verzoek voldaan, behalve waar het betreft de bewijstukken van de administratie van de verkoopactiviteiten. De van Marktplaats.nl ontvangen reactie betreft een overzicht vanaf februari 2011 tot en met april 2014, waarop 102 advertenties staan vermeld. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport uitkeringsfraude van 6 juni 2014.
1.3.
In de onderzoeksbevindingen heeft het college aanleiding gezien om bij besluiten van
12 juni 2014 en 13 juni 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 november 2014 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van 20 oktober 2013 in te trekken en de over de periode van 20 oktober 2013 tot en met 12 mei 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 8.257,18 van appellante terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante via Marktplaats katten te koop heeft aangeboden, welke activiteiten zij niet bij het college heeft gemeld, noch de inkomsten daaruit. Nu appellante geen deugdelijke administratie heeft overgelegd van de verkoopactiviteiten, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante betwist dat ze haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellante stelt dat de advertenties op Marktplaats.nl dezelfde kat betreffen. Appellante heeft door het te koop aanbieden van katten met deze advertenties geen inkomsten verworven. Volgens appellante is daarom geen sprake van op geld waardeerbare activiteiten. Appellante fokt hobbymatig katten en daarvan heeft zij op verzoek van het college de benodigde stukken overgelegd en de nodige duidelijkheid verschaft.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De in dit geval te beoordelen periode loopt van 20 oktober 2013, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met en met 12 juni 2014, de datum van het intrekkingsbesluit.
4.2.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
4.3.
Uit de advertentiegegevens van Marktplaats blijkt dat appellante verscheidene soorten en rassen van katten te koop heeft aangeboden. In zoverre faalt haar betoog. Voor zover appellante betoogt dat zij deze activiteiten als hobby heeft verricht en dat de werkzaamheden nauwelijks iets hebben opgeleverd zodat geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting, slaagt dit betoog niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van
8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met
artikel 32, eerste lid, van de WWB, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Nu het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn geweest dat haar activiteiten voor de verlening van de bijstand van belang konden zijn, heeft appellante door van die activiteiten geen melding te maken bij het college de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.
4.4.
Appellante heeft geen administratie bijgehouden van de door haar verrichte werkzaamheden en transacties. Het door appellante overgelegde overzicht van haar bankafschriften over een periode van begin februari 2014 tot en met begin april 2014, de stamboomkaarten van de katten en de nota’s van de dierenartsen zijn onvoldoende om de omvang van de activiteiten en de daaruit genoten inkomsten vast te stellen. Redegevend daarvoor is onder andere dat het overzicht niet ziet op de gehele te beoordelen periode, de inkomsten niet met objectieve gegevens zijn onderbouwd en de gegevens over het aantal nestjes in het overzicht niet overeenkomen met andere gegevens in het dossier. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het college terecht gevolgd in zijn conclusie dat, als gevolg van de hiervoor vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting, het recht van appellante op bijstand over de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld.
4.5.
Tegen de terugvordering zijn geen zelfstandige gronden ingediend, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en H.C.P. Venema en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2017.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD