ECLI:NL:CRVB:2017:2171
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- G.M.G. Hink
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand en individuele inkomenstoeslag wegens onvoldoende inzicht vermogenspositie
Appellanten dienden aanvragen in voor bijzondere bijstand en een individuele inkomenstoeslag. Tijdens het onderzoek bleek dat appellante mede-rekeninghouder was van meerdere en/of-bankrekeningen, waarvan het college geen inzicht had gekregen. Appellanten weigerden inzage in bankafschriften te geven vanwege privacy van de ouders van appellante.
Het college wees de aanvragen af omdat de vermogenspositie niet kon worden vastgesteld zonder inzage in de bankafschriften. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij slechts beheerder was van de rekeningen en niet over de tegoeden kon beschikken, en dat inzage in strijd zou zijn met de privacy van haar ouders.
De Raad oordeelde dat het feit dat een rekening mede op naam van appellante staat, impliceert dat het tegoed tot haar vermogen behoort, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. Appellanten slaagden hier niet in. De verklaring van de ouders en de overeenkomst van de gemeenschappelijke rekening waren onvoldoende om de beschikking over het tegoed te ontkennen. Door het weigeren van inzage bleef de vermogenspositie onduidelijk, waardoor het recht op bijstand en toeslag niet kon worden vastgesteld.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De aangevallen besluiten tot afwijzing van de aanvragen blijven in stand. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvragen voor bijzondere bijstand en individuele inkomenstoeslag worden afgewezen wegens onvoldoende inzicht in de vermogenspositie.