ECLI:NL:CRVB:2017:2387
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstand wegens niet aannemelijk gemaakte leningen voor levensonderhoud
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en verklaarde dat zij in de periode voorafgaand aan de aanvraag bedragen had ontvangen die leningen van haar ouders en een derde zouden betreffen. Het college van burgemeester en wethouders van Helmond kwalificeerde deze bedragen als inkomen en bracht ze in mindering op de bijstand. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep onderzocht of de ontvangen bedragen daadwerkelijk leningen waren die bedoeld waren voor levensonderhoud en aan de daarvoor gestelde voorwaarden voldeden. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt wanneer, van wie en onder welke voorwaarden de leningen waren verstrekt, en dat bij de betalingen geen concrete afspraken over terugbetaling waren gemaakt.
De overgelegde verklaringen en bankafschriften voldeden niet aan de vereisten om de bedragen als leningen te kwalificeren. Hierdoor kon appellante geen aanspraak maken op bijstand zonder vermindering. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige inhouding van bijstand werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd; het verzoek om schadevergoeding wordt geweigerd.