ECLI:NL:CRVB:2017:250
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens verzwegen onroerend goed en beschikking over woning in Marokko
Appellant ontving sinds 1998 bijstand, maar na een anonieme melding over bezit van onroerend goed in Marokko startte de gemeente een onderzoek. Uit het onderzoek bleek dat appellant als eigenaar van een woning in Marokko geregistreerd stond, met een getaxeerde waarde van circa €158.000. Appellant ontkende dit en stelde mede-eigenaar te zijn, en dat hij niet over het vermogen kon beschikken omdat familie in de woning woonde.
Het college schortte en trok de bijstand in wegens het niet verstrekken van gevraagde gegevens en schending van de inlichtingenplicht. Appellant voerde bezwaar aan met aanvullende taxatierapporten en documenten, maar het college handhaafde het besluit. De rechtbank vernietigde het besluit deels, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat het recht op bijstand nihil moest worden gesteld.
In hoger beroep stond centraal of appellant daadwerkelijk kon beschikken over de woning en wat de waarde daarvan was. De Raad oordeelde dat appellant als eigenaar in het kadaster stond ingeschreven en niet aannemelijk had gemaakt dat hij slechts mede-eigenaar was of niet kon beschikken. Ook de lagere taxaties waren onvoldoende onderbouwd. De Raad bevestigde daarom de rechtbankuitspraak en oordeelde dat de intrekking en terugvordering terecht waren.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en terugvordering wegens verzwegen onroerend goed en beschikking over de woning.