ECLI:NL:RBDHA:2018:13480
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens bezit onroerend goed in Turkije
Eisers ontvingen bijstand van de gemeente Den Haag. Naar aanleiding van anonieme meldingen en onderzoek bleek dat eisers onroerend goed in Turkije bezaten, wat zij niet hadden gemeld. Verweerder trok daarom het recht op bijstand in vanaf 1 juli 1997 en vorderde ten onrechte betaalde bijstand terug.
Eisers betwistten de schending van de inlichtingenplicht en voerden aan dat de waarde van het onroerend goed lager was door gebreken en dat zij de opbrengst van de grond moesten delen met familieleden. De rechtbank oordeelde dat eiser het bezit niet had gemeld, wat een schending van de inlichtingenplicht is en dat verweerder terecht de waarde van het onroerend goed op €162.259,- baseerde op een onafhankelijke taxatie.
De rechtbank vond dat eisers onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij recht hadden op bijstand in de betreffende periode en dat er geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen intrekking en terugvordering van bijstand wegens bezit van onroerend goed in Turkije is ongegrond verklaard.