Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- wijst het verzoek om vergoeding van wettelijke rente af.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam bij een werkgever en ontving vanaf januari 1997 geen loon meer. Na een gerechtelijke procedure werd de werkgever veroordeeld tot betaling van achterstallig loon over diverse perioden, met wettelijke rente en verhoging. De werkgever ging failliet in augustus 1999 en de arbeidsovereenkomst werd opgezegd in september 1999. Appellant vroeg bij het UWV een faillissementsuitkering en een WW-uitkering aan, maar de WW-uitkering werd geweigerd vanwege het niet voldoen aan de referte-eis van 26 gewerkte weken in de 39 weken voorafgaand aan werkloosheid.
Appellant ontving later alsnog betalingen van achterstallig loon via beslag, die hij wilde laten meetellen voor de referte-eis. Het UWV rekende deze betalingen toe aan de oudste verbintenissen buiten de referteperiode, waardoor appellant niet aan de eis voldeed. De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep bevestigden deze toerekening op grond van artikel 6:43 BW Pro, waarbij de betalingen worden toegerekend aan de meest bezwarende en oudste verbintenissen.
De Raad oordeelde dat de loonbetalingen voortvloeiden uit maandelijkse verbintenissen uit de arbeidsovereenkomst en niet uit een vaststellingsovereenkomst. Omdat de schuldenaar niet had aangewezen op welke verbintenis de betalingen betrekking hadden, moesten deze worden toegerekend aan de oudste opeisbare verbintenissen. Hierdoor vielen de betalingen buiten de referteperiode en werd het verzoek om WW-uitkering afgewezen. Tevens werd het verzoek om vergoeding van wettelijke rente afgewezen.
Uitkomst: Betalingen achterstallig loon worden toegerekend aan oudste verbintenissen en WW-uitkering wordt afgewezen wegens niet voldoen aan referte-eis.