ECLI:NL:CRVB:2017:2731
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellant stond ingeschreven op verschillende adressen en werd geconfronteerd met een terugvordering van bijstand die aan H was verleend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college stelde dat H en appellant een gezamenlijke huishouding voerden, mede omdat zij een kind samen hadden en appellant op het uitkeringsadres verbleef. Appellant betwistte dit en stelde onder meer dat hij niet de vader was en niet op het uitkeringsadres woonde.
De Raad oordeelde dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding van toepassing is indien twee personen hun hoofdverblijf delen en een kind uit hun relatie is geboren. De verklaring van appellant, die hij later betwistte, werd geaccepteerd als bewijs. Diverse verklaringen en huisbezoek bevestigden het gezamenlijk verblijf. Het vaderschap werd geacht vast te staan op basis van verklaringen en het ontbreken van tegenbewijs.
De Raad concludeerde dat appellant mede aansprakelijk is voor de terugvordering van bijstand, ongeacht zijn verwijtbaarheid of kennis van de bijstand. De financiële situatie van appellant vormde geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.