Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2021 in de zaak tussen
[eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), te [woonplaats] , eisers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere , verweerder
Procesverloop
€ 190.453,87 (bruto).
Overwegingen
Verweerder heeft in verschillende perioden waarnemingen verricht bij het woonadres van eiseres. [3]
17 van de Participatiewet (Pw) geschonden. Over de periode van 1 december 2016 tot en met 31 januari 2017 heeft verweerder het recht op bijstand ingetrokken, omdat de bijstand ten onrechte aan eiseres is betaald. Eiser is op grond van artikel 59, tweede lid, van de Pw hoofdelijk aansprakelijk voor terugbetaling van de bijstand die ten onrechte aan eiseres is betaald, omdat er gelet op de gezamenlijke huishouding bij de bijstandsverlening aan eiseres met de middelen van eiser rekening had moeten worden gehouden.
2 februari 2017, inhoudende dat eiser vanaf 2003 uit de woning aan de [adres 1] is vertrokken en dat hij daarna nooit vaker dan twee dagen per week bij eiseres bleef overnachten. Daarnaast stond eiser in de te beoordelen perioden in de Brp ingeschreven op verschillende adressen, maar niet op het adres [adres 1] . Volgens eisers heeft verweerder ook ten onrechte geen huisbezoek afgelegd en niet onderzocht of er persoonlijke spullen van eiser in de woning aan de [adres 1] lagen. Uit de waarnemingen van maart, oktober en november 2016 blijkt juist dat zij geen gezamenlijke huishouding voerden. Verder wijzen eisers erop dat eiser ingeschreven stond op het adres aan het [adres 5] , dat het huurcontract van deze woning op eisers naam stond en dat eiser de huur betaalde.
[D] en [E] en [F] al lange tijd [13] de directe buren van eisers zijn en dat zij allen hebben verklaard dat de woonsituatie van eisers in al die jaren niet is veranderd. De verklaring van getuige [A] is vergelijkbaar. [A] heeft verklaard dat hij al 26 jaar op hetzelfde adres woont, dat eisers achter hem wonen en dat er geen wijziging is geweest in de woonsituatie van eisers. [C] en [D] hebben, voor zover hier relevant, het volgende verklaard:
De rechtbank is van oordeel dat eisers hiermee miskennen dat de buurtbewoners uitdrukkelijk hebben verklaard dat eiser vaak in Koerdistan is en dat zij eiseres vaker zien dan eiser. Wat deze buurtbewoners over het dagelijkse leven van eisers hebben verklaard, heeft dan ook logischerwijs betrekking op de perioden dat eiser in Nederland was en wat zij toen hebben waargenomen.
Dat eiser in de te beoordelen perioden op verschillende adressen in het Brp ingeschreven stond, heeft verweerder niet tot een ander standpunt hoeven leiden. Voor het vaststellen van hoofdverblijf is namelijk de feitelijke situatie doorslaggevend en niet de inschrijving in het Brp. [15]
De omstandigheid dat de waarnemingen in maart, oktober en november 2016 verweerders standpunt niet ondersteunen, leidt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel. Zoals verweerder ook heeft aangevoerd, behoren de maanden maart en oktober 2016 (tot 26 oktober 2016) ook niet tot de periode waarover de bijstand is ingetrokken en zijn deze waarnemingen niet dragend geweest voor het standpunt dat eisers in de te beoordelen perioden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Wat uit de waarnemingen naar voren is gekomen, maakt niet dat verweerder zijn standpunt niet op de overige bevindingen heeft mogen baseren of dat daaruit een onjuiste conclusie is getrokken.
Beslissing
mr. E.E.M. van Abbe, leden, in aanwezigheid van mr. L.Y. Wong, griffier. De beslissing is uitgesproken op 26 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt via publicatie op rechtspraak.nl.