Uitspraak
17 november 2016, 16/3710 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene was voltijds in dienst en heeft per 1 november 2015 zijn dienstbetrekking met 10% verminderd, waarbij hij een gelijk percentage van zijn keuzepensioen ontving. Per 1 december 2015 eindigde zijn dienstbetrekking volledig en werd hij werkloos. Het UWV bracht het keuzepensioen in mindering op de WW-uitkering, berekend op basis van een gemiddeld aantal arbeidsuren (GAA) van 37 per week.
Betrokkene maakte bezwaar tegen deze korting, waarop het UWV het GAA corrigeerde naar 36 uren, maar het prepensioen bleef in mindering gebracht. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, waarbij het UWV werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Het UWV ging in hoger beroep en stelde dat de uitzondering in artikel 3:5, vijfde lid, van het AIB restrictief moet worden toegepast, waardoor het GAA niet beïnvloed mag zijn door het arbeidsurenverlies waarop het pensioen is gebaseerd.
De Raad oordeelde dat het prepensioen betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren en dat de tekst en toelichting van het AIB en de WW geen aanleiding geven voor een restrictieve uitleg zoals het UWV voorstaat. De Raad vernietigt het bestreden besluit en herroept het besluit van 11 januari 2016 waarbij het prepensioen geheel in mindering werd gebracht. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het besluit van het UWV waarbij het prepensioen geheel in mindering werd gebracht op de WW-uitkering wordt herroepen.