ECLI:NL:CRVB:2017:3070
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en boete wegens beschikking over vermogen boven vrij te laten grens
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd geconfronteerd met intrekking van deze bijstand, terugvordering van kosten en oplegging van een boete. Dit volgde op een onderzoek van de Sociale Recherche naar een storting van €20.000 op zijn Rabobankrekening, die volgens het college boven het vrij te laten vermogen uitkwam.
Appellant stelde dat het bedrag slechts tijdelijk in bewaring was voor zijn moeder en dat het geld niet voor eigen gebruik was bestemd. Hij voerde aan dat zijn moeder het geld later contant had gestort op haar rekening. De Raad oordeelde dat appellant feitelijk over het bedrag beschikte, omdat het op zijn rekening stond en hij het contant had opgenomen. Het tijdsverloop van ruim veertien maanden en het ontbreken van concrete, verifieerbare aanwijzingen dat het gestorte bedrag identiek was aan het opgenomen bedrag, maakten het tegenbewijs onvoldoende.
Verder werd vastgesteld dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden door de transacties niet te melden. De boete werd als evenredig beoordeeld, mede gelet op het toepasselijke overgangsrecht en eerdere jurisprudentie. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand, de terugvordering van kosten en de oplegging van een evenredige boete aan appellant.