De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen het besluit van het Zorgkantoor om het persoonsgebonden budget (pgb) voor het jaar 2013 lager vast te stellen en onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen. Het Zorgkantoor had het pgb vastgesteld op € 22.953,03, terwijl appellant oorspronkelijk een hoger bedrag van € 43.324,55 had ontvangen.
Appellant voerde aan dat de zorgovereenkomst met de zorgverlener onjuist was ingevuld en dat er vijf uur zorg per dag was geleverd in plaats van vijf uur per maand. Tevens stelde appellant dat het Zorgkantoor onvoldoende rekening had gehouden met de gevolgen van de lagere vaststelling en de mate van verwijtbaarheid.
De Raad oordeelde dat appellant niet op een volledige, eenduidige en objectief verifieerbare wijze had aangetoond hoe het pgb was besteed. De door appellant aangevoerde bewijsstukken, zoals declaratieformulieren en urenbriefjes, ondersteunden zijn stellingen niet. Het Zorgkantoor had daarom terecht het pgb lager vastgesteld en was bevoegd de onverschuldigd betaalde voorschotten van € 39.366,20 terug te vorderen.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde het Zorgkantoor in de proceskosten van appellant.