ECLI:NL:CRVB:2017:3562
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt gedeeltelijke matiging terugvordering bijstand wegens ontbreken dringende redenen
Betrokkene ontving sinds 1986 bijstand als alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In het kader van een onderzoek naar vermogen in het buitenland werd vastgesteld dat betrokkene eigenaar was van onroerend goed in Turkije en beschikte over twee bankrekeningen die niet waren gemeld aan appellant, het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers. Hierdoor werd de inlichtingenverplichting geschonden.
Appellant trok de bijstand met ingang van 1 juli 1997 in en vorderde de kosten van bijstand over de periode 1997-2014 terug, omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De rechtbank vernietigde dit besluit gedeeltelijk en oordeelde dat er dringende redenen waren om de terugvordering te matigen vanwege de onaanvaardbare financiële gevolgen voor betrokkene.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat dringende redenen aanwezig waren. Het recht op aanvullende bijstand kon niet worden vastgesteld door het ontbreken van volledige bankafschriften. Daarnaast zijn de financiële gevolgen van terugvordering niet per definitie onaanvaardbaar, mede omdat betrokkene bescherming geniet van de beslagvrije voet bij invordering.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het terugvorderingsbesluit ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugvorderingsbesluit wordt ongegrond verklaard en de gedeeltelijke matiging van de terugvordering door de rechtbank wordt vernietigd.