ECLI:NL:CRVB:2017:3750
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vordering meerinkomen studiefinanciering 2013 ondanks betwisting DigiD-gebruik
Appellant maakte bezwaar tegen een vordering van de minister wegens overschrijding van de bijverdiengrens in 2013, stellende dat hij geen studiefinanciering had aangevraagd en vermoedde dat zijn ex-vrouw met zijn DigiD fraudeerde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat digitale aanvragen met DigiD in principe aan de aanvrager worden toegerekend, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat fraude buiten diens risicosfeer ligt.
In hoger beroep bevestigde de Raad deze lijn. Appellant kon niet aantonen dat de fraude buiten zijn risicosfeer viel, mede omdat hij wist dat zijn ex-vrouw over zijn DigiD beschikte en deze gegevens niet had gewijzigd. Ook was het niet verplicht voor de minister om het rekeningnummer nader te onderzoeken bij wijziging. Verder werd aangenomen dat appellant ingeschreven stond bij onderwijsinstellingen, ongeacht feitelijke deelname.
De Raad oordeelde dat de waarschuwingsbrieven geacht worden te zijn ontvangen, ook al ontkende appellant dit. Gezien het ontbreken van gronden tegen de hoogte van de vordering, werd de vordering terecht opgelegd en het hoger beroep verworpen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De vordering wegens meerinkomen over 2013 is terecht opgelegd en het hoger beroep wordt verworpen.