ECLI:NL:CRVB:2017:3783
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling invaliditeitsuitkering en vergoeding huishoudelijke hulp op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling
Appellante, geboren in 1936, heeft een invaliditeitsuitkering van 15% en een vergoeding voor vier uur huishoudelijke hulp per week toegekend gekregen op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder heeft dit besluit gehandhaafd na bezwaar, waarbij medisch advies bevestigde dat de beperkingen van appellante vooral psychisch en energetisch van aard zijn, met een gezinsbehoefte aan huishoudelijke hulp die door de toekenning van zes uur aan haar echtgenoot en vier uur aan haarzelf ruimschoots wordt gedekt.
Appellante voerde aan dat zij meer huishoudelijke hulp nodig had en dat verweerder had moeten anticiperen op beleidswijzigingen per 1 juli 2015, maar deze argumenten werden verworpen omdat het beleid en de gezondheidssituatie ten tijde van de aanvraag in 2013 leidend zijn.
Daarnaast heeft appellante een schadevergoeding gevorderd wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De Raad oordeelde dat de termijn van ruim drie jaar voor bezwaar en beroep de redelijke termijn overschrijdt met 17 maanden, wat leidt tot een vergoeding van € 1.500,-, waarvan verweerder en de Staat ieder een deel betalen. Tevens werden de proceskosten verdeeld tussen verweerder en de Staat.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard; toekenning van een invaliditeitsuitkering van 15% en vier uur huishoudelijke hulp per week blijft gehandhaafd; schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn wordt toegekend.