Uitspraak
7 januari 2016, 15/5208 (aangevallen uitspraak 1) en van 22 juli 2016, 16/384 (aangevallen uitspraak 2)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 2011 bijstand en het college heeft de bijstand verlaagd op grond van de kostendelersnorm, omdat meerdere meerderjarige personen op hetzelfde adres wonen. Appellant betoogde dat er sprake was van een commerciële huurrelatie met een medebewoner, waardoor een uitzondering op de kostendelersnorm zou gelden. De Raad oordeelde dat een schriftelijke overeenkomst ontbreekt en de door appellant overgelegde verklaring van de hoofdbewoner niet gelijkstaat aan een dergelijke overeenkomst.
Voorts stelde appellant dat vanwege het ontbreken van inkomen bij een medebewoner van de norm afgeweken moest worden, maar de Raad stelde dat artikel 22a van de Participatiewet dwingendrechtelijk is en geen ruimte biedt voor afwijking buiten de wettelijk genoemde uitzonderingen. Het hoger beroep tegen de eerste aangevallen uitspraak werd daarom afgewezen.
Ten aanzien van het hoger beroep tegen de tweede aangevallen uitspraak oordeelde de Raad dat appellant geen procesbelang had, omdat hetzelfde resultaat als in het eerste hoger beroep werd nagestreefd. Dit hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Raad bevestigde daarmee het besluit van het college tot toepassing van de kostendelersnorm.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de eerste uitspraak wordt afgewezen en het hoger beroep tegen de tweede uitspraak wordt niet-ontvankelijk verklaard, waarmee de toepassing van de kostendelersnorm wordt bevestigd.