Uitspraak
7 juli 2016, 15/6276 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving voor 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van €14.342,05, dat door het Zorgkantoor werd vastgesteld op €4.900,-, waarna het teveel betaalde bedrag van €9.442,05 werd teruggevorderd. Appellante maakte bezwaar tegen deze terugvordering, dat door de rechtbank werd afgewezen met het oordeel dat geen sprake was van reformatio in peius, omdat de uitkomst gelijk bleef en alleen de motivering veranderde.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het Zorgkantoor onterecht een andere grondslag hanteerde en dat de terugvordering onaanvaardbare financiële gevolgen voor haar heeft, mede vanwege haar Wajong-uitkering en handelingsonbekwaamheid. De Raad onderschreef echter de overwegingen van de rechtbank en wees het beroep af wegens gebrek aan motivatie.
De Raad oordeelde verder dat het Zorgkantoor bij terugvordering rekening dient te houden met een evenredige belangenafweging en de financiële situatie van appellante, waaronder de beslagvrije voet. Gezien de aanwezigheid van een curator en de omstandigheden achtte de Raad de terugvordering redelijk en rechtmatig.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van het te veel betaalde persoonsgebonden budget zonder schending van het verbod van reformatio in peius.