ECLI:NL:CRVB:2017:3905
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verantwoording en vaststelling persoonsgebonden budget AWBZ 2013
Appellante ontving voor 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) van het Zorgkantoor. Na controle van de verantwoording keurde het Zorgkantoor slechts 60% van de gedeclareerde zorgkosten goed, omdat niet alle activiteiten als begeleiding volgens artikel 6 van Pro het Besluit zorgaanspraken AWBZ konden worden aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat appellante verantwoordelijk blijft voor de pgb-verplichtingen, ook indien uitbesteed.
In hoger beroep stelde appellante dat het Zorgkantoor onvoldoende motiveerde waarom de zorg deels niet als begeleiding werd erkend en dat zij slachtoffer was van haar zorgverlener. De Raad oordeelde dat het Zorgkantoor buitenwettelijke beslissingen had genomen die als onderdeel van het vaststellingsbesluit moesten worden gezien en vernietigde de uitspraak van de rechtbank.
De Raad beoordeelde het pgb-besluit zelf en concludeerde dat de zorgdoelen 5 en 6 (structureren/plannen en regelen wonen) niet als begeleiding konden worden aangemerkt, terwijl zorgdoelen 1 en 2 wel als begeleiding werden erkend. Omdat de urenverantwoording onvoldoende inzicht gaf in de tijdsbesteding per zorgdoel, was het Zorgkantoor bevoegd het pgb op 60% vast te stellen. De Raad bevestigde dat appellante verantwoordelijk blijft voor de pgb-verplichtingen, ook als zij het beheer aan een derde heeft overgelaten.
De beroepen werden ongegrond verklaard, het pgb vastgesteld op €6.879,06 en de terugvordering van €4.470,05 bevestigd. Het Zorgkantoor werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.485,- en het griffierecht van €214,- aan appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen het pgb-besluit 2013 wordt ongegrond verklaard en het pgb vastgesteld op €6.879,06 met terugvordering van te veel betaalde voorschotten.