ECLI:NL:CRVB:2017:3976
Centrale Raad van Beroep
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Verzoek om wraking van rechter wegens vermeende onpartijdigheid niet-ontvankelijk verklaard
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en tijdens de zitting een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter van de behandelende kamer, omdat deze volgens verzoeker banden zou hebben met de zorgverzekeringswereld. De gewraakte rechter heeft dit betwist en schriftelijk toegelicht dat hij weliswaar lid is van de Raad van Toezicht van een stichting, maar geen banden heeft met zorgverzekeringsbedrijven.
De Raad overweegt dat het wrakingsverzoek op grond van artikel 8:16, eerste lid, Awb gedaan moet worden zodra de feiten of omstandigheden bekend zijn. Verzoeker was bij de uitnodiging voor de zitting reeds op de hoogte van de identiteit en nevenfunctie van de gewraakte rechter en had het wrakingsverzoek dus eerder moeten indienen.
Het feit dat verzoeker voorafgaand aan het wrakingsverzoek ter zitting met de rechter wilde discussiëren over diens geschiktheid verandert hier niets aan. De Raad concludeert dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk is wegens te late indiening. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om wraking van de rechter is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.