ECLI:NL:CRVB:2017:4071
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep afgewezen wegens ontbreken van procesbelang bij AWBZ-indicatie
Appellant, bekend met epilepsie en een ontwikkelingsachterstand, had een indicatie voor begeleiding en vervoer op grond van de AWBZ, verleend op 6 maart 2014. Deze indicatie werd op 23 april 2015 ingetrokken door het CIZ, omdat behandeling vanuit de Zorgverzekeringswet voorliggend werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij nog steeds aangewezen was op een indicatie voor begeleiding. De Centrale Raad van Beroep onderzocht echter of appellant voldoende procesbelang had om het hoger beroep inhoudelijk te behandelen. Volgens vaste jurisprudentie is procesbelang alleen aanwezig als het nastreven van het resultaat ook daadwerkelijk kan worden bereikt en betekenisvol is voor de indiener.
De Raad oordeelde dat een formeel of principieel belang niet volstaat en dat appellant onvoldoende concreet had gemaakt welke schade hij had geleden door het besluit. Bovendien was de oorspronkelijke AWBZ-indicatie inmiddels verlopen en had appellant sinds 12 juli 2017 een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) ontvangen. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang, zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.