ECLI:NL:CRVB:2017:4095
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens onvoldoende bewijs ziekte tijdens verzekerde periode
Appellante, voormalig dierenartsassistente, vroeg een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan op grond van de WAO, stellende sinds 1999 gedeeltelijk arbeidsongeschikt te zijn door een myeloproliferatieve aandoening (MPN), waaronder polycythaemia vera (PV). Het UWV wees de aanvraag af omdat onvoldoende medisch objectief bewijs was dat zij gedurende de verzekerde periode niet in staat was haar werk te verrichten.
De rechtbank oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij vanaf 1 juni 1999 tot haar ontslag in 2005 arbeidsongeschikt was. Medische rapporten toonden wel klachten en ziektebeelden, maar geen concrete beperkingen die voldeden aan de norm van 52 weken arbeidsongeschiktheid. Appellante voerde in hoger beroep nieuwe medische rapporten aan, maar deze boden geen overtuigend bewijs van arbeidsongeschiktheid in de relevante periode.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de medische gegevens inconsistent waren en dat de resultaten van een inspanningstest in 2007 geen aanwijzingen gaven voor ernstige beperkingen. Ook het ontbreken van ziekmeldingen en doorlopende hulpverlening ondersteunden het oordeel dat arbeidsongeschiktheid niet aannemelijk was gemaakt. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WAO-uitkering bevestigd.