ECLI:NL:CRVB:2017:4180
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bijstandsverlening en inkomensverrekening bij gestorte bedragen als leningen
De zaak betreft een beroep van appellant tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen, waarbij bijstand werd toegekend over de periode van 25 januari 2014 tot 8 juni 2016. Het college had de bijstand vastgesteld op basis van de situatie dat appellant bij zijn zoon inwoonde en had de stortingen op zijn bankrekening als inkomen in mindering gebracht.
Appellant voerde aan dat de stortingen geleend geld betroffen, bedoeld voor levensonderhoud in een periode waarin hij geen bijstand ontving en aangewezen was op leningen van familie en een vriend. Hij bracht verklaringen in van deze geldschieters om dit te onderbouwen.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de ontvangen bedragen daadwerkelijk leningen waren, omdat de verklaringen onvoldoende concreet waren over de bedragen, momenten van verstrekking, afspraken over terugbetaling en de aard van de lening. Hierdoor konden de bedragen terecht als inkomen worden beschouwd en op de bijstand in mindering worden gebracht.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.