ECLI:NL:CRVB:2017:4403
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over arbeidsongeschiktheid en ziekteoorzaak bij WAO-uitkering
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, ontving vanaf 2003 een WAO-uitkering wegens klachten aan de bijschildklier. Na herstel werd de uitkering in 2006 ingetrokken. Vanaf 2010 melde zij zich opnieuw ziek en kreeg zij een Ziektewetuitkering. In 2012 werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45% op basis van eenzelfde ziekteoorzaak.
In 2014 meldde appellante toegenomen arbeidsongeschiktheid door incontinentieklachten, die zij toeschreef aan haar primaire aandoening. Het UWV verhoogde aanvankelijk haar uitkering, maar trok deze later weer in omdat de toename niet berustte op dezelfde ziekteoorzaak en er geen onafgebroken periode van vier weken arbeidsongeschiktheid was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten wel degelijk voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak en dat zij minimaal vier weken arbeidsongeschikt was geweest. De Raad oordeelde dat het UWV voldoende bewijs had geleverd dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet door dezelfde ziekte werd veroorzaakt. Ook het ontbreken van een causaal verband tussen incontinentieklachten en hypoparathyreoïdie werd onderbouwd met medische informatie. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als de eerdere WAO-uitkering.