Appellant ontving een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, maar het Uwv trok deze uitkering in bij besluiten van 23 januari 2014 vanwege een vermeende daling van de arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep verklaarde het Uwv de bezwaren alsnog gegrond en kende appellant met terugwerkende kracht een IVA-uitkering toe.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde de eerdere uitspraak en de bestreden besluiten van 1 juli 2014, omdat deze onrechtmatig waren. Hoewel appellant stelde financiële schade te hebben geleden door de vertraging en intrekking van de uitkering, was zijn schade niet concreet gespecificeerd. De Raad oordeelde dat de vergoeding van schade als gevolg van vertraging in de betaling van een geldsom is gefixeerd op de wettelijke rente, welke reeds was betaald.
Het verzoek om aanvullende schadevergoeding werd daarom afgewezen. Wel werd het Uwv veroordeeld tot betaling van de proceskosten en vergoeding van het griffierecht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 27 december 2017.