ECLI:NL:CRVB:2017:4488
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering hernieuwde WAO-uitkering na beëindiging in 2005
Appellante was jarenlang arbeidsongeschikt en ontving vanaf 1986 een WAO-uitkering. In 2005 werd deze uitkering beëindigd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Na een periode van werken viel zij in 2013 opnieuw uit wegens diverse klachten. Het UWV weigerde daarop een hernieuwde WAO-uitkering toe te kennen, hetgeen door appellante werd aangevochten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het UWV zorgvuldig medisch onderzoek had verricht en dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar na de beëindiging van de uitkering. Appellante stelde in hoger beroep dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan en dat haar klachten waren verergerd, maar de Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de beperkingen niet waren toegenomen.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht afzag van een arbeidskundig onderzoek en dat de medische stukken, waaronder rapporten van de huisarts, reumatoloog en medisch specialist, geen aanwijzingen bevatten voor toegenomen beperkingen. Ook werd het verzoek tot vergoeding van een factuur van een medisch specialist afgewezen omdat het beroep ongegrond was verklaard.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot hernieuwde toekenning van de WAO-uitkering en schadevergoeding wordt afgewezen.