Uitspraak
30 juni 2015, 14/4952 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als inpakker, meldde zich in 2009 ziek met psychische klachten en had eerdere arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen. Het UWV stelde in 2011 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. Na bezwaar en beroep bleef dit besluit in stand. In 2013 verzocht appellant opnieuw om een WIA-uitkering wegens vermeende toename van arbeidsongeschiktheid. Het UWV wees dit af op basis van medisch onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en geen aanwijzingen waren voor toegenomen beperkingen. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het UWV volgde, onder meer vanwege een neuropsychologisch rapport en medicatieoverzicht.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en dat het neuropsychologisch onderzoek geen nieuwe inzichten gaf. Verhoogde medicatiedoseringen waren onvoldoende om toegenomen beperkingen aan te tonen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende toename van arbeidsongeschiktheid.